Beleid

Contract Management-dag: De kracht van organiseren!

| 28-02-2013

Het belang van Contract Management binnen organisaties neemt toe zo blijkt ook uit het onderzoek Contractmanagement: Stand van Zaken uitgevoerd door Theo Bosselaers (Mitopics) en René van den Hoven (NEVI). Organisaties zijn zich ervan bewust dat Contract Management een belangrijke sleutel is in het beheersen van risico’s en als opstap fungeert voor het creëren van value for money. Echter Contract Management is in menig organisatie nog niet structureel vorm gegeven. Tijdens de eerste NEVI Contract Management-dag die in het teken staat van De kracht van organiseren! wordt besproken hoe hiermee kan worden omgegaan.

Succesvol Technical Asset Management: meer dan techniek alleen…

| 28-02-2013

De uitdaging voor Technical Asset Management (TAM) in veel organisaties is om tegelijkertijd te voldoen aan drie belangrijke doelstellingen, namelijk: bedrijfsmiddelen beter te laten presteren, deze tegen steeds lagere kosten in stand te houden en voldoen aan steeds strenger wordende wet- en regelgeving en veiligheidseisen. Uit de cases van APMTerminals, Vopak, ABCWestland, FloraHolland en ProRail zijn de belangrijkste succesfactoren hiervoor afgeleid.

Over het parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid

| 04-06-2012

Afgelopen vrijdag hield de parlementaire werkgroep ICT-projecten bij de overheid een tweetal expertbijeenkomsten over ICT-projecten bij de overheid. Het belangrijkste doel hiervan was toetsing van het onderzoeksvoorstel voor het parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid. Zelf had ik de eer om uitgenodigd te zijn voor de ochtendsessie om toelichting te kunnen geven op mijn schriftelijke commentaar op het concept-onderzoeksvoorstel zoals vooraf verspreid.

Keuze voor benutten strategische voordelen zorgt voor gestage adoptie open source software

| 09-02-2011

Uit een onderzoek van Gartner in 11 landen met ruim 500 respondenten waarover Automatiseringgids vandaag bericht blijkt dat open source software (OSS) een steeds belangrijkere rol krijgt in de IT-strategie van bedrijven. De adoptie van OSS neemt hierdoor gestaag toe. De opvallende conclusie van dit onderzoek is dat er steeds meer wordt gekozen voor open source vanwege het kunnen benutten van strategische voordelen. Het gaat bij deze strategische voordelen om kortere ontwikkeltijden, innovatieve oplossingen, beter in staat zijn om intern te ontwikkelen, en last but not least:  de mate waarin IT-verantwoordelijken aangeven dat ze zakelijk succesvoller kunnen zijn met OSS. Waarom zet de adoptie gestaag door, en wat is de wijze waarop OSS naast proprietary software kan worden meegenomen in softwareselectietrajecten?

Auteursrecht & content in het onderwijs

| 09-07-2010

Docenten worden steeds vaker aangemoedigd om in hun materiaal digitaal ter beschikking te stellen, via e-mail, maar vaak via een eigen portal of electronische leeromgevingen, zoals moodle of blackboard. Op congressen kom ik vaak docenten tegen die opzien tegen het auteursrecht. Ze vragen: “mag ik het wel gebruiken? en “hoe zit het dan met de rechten die erop zitten?”.

Lucie Guibault van het IViR heeft vorig jaar in opdracht van de stuurgroep ‘Stimuleren Gebruik Digitaal Leermateriaal’ onderzoek gedaan naar ‘Auteursrecht en Open leermiddelen‘. Het onderzoek geeft ook voor docenten die graag content ontwikkelen een paar aardige inzichten.

Hieruit blijkt dat de vragen die docenten hebben en de terughoudendheid die zij betrachten ten aanzien van werken van derden niet geheel onterecht is en mogelijk zelfs te verklaren valt. Zij komt nameijk tot de conclusie dat het verspreiden van leermiddelen onder een open content licentie systeem zoals dat van Creative Commons verder juridisch onderzoek vereist. In dit onderzoek behandelt zij tevens belangrijke basisvragen naar eigendom en signaleert zij de knelpunten over de rechtspositie van de auteurs op een gezamenlijk werk. Zij gaat ook in op de vraag over het (elektronisch) hergebruik van bestaand materiaal. Waarbij de rechten en in de praktijk vaak ook contracten die zijn afgesloten voor het gebruik van materialen een belangrijke rol spelen.

Voor het ter beschikking stellen van leermiddelen is het juridisch ook de vraag welke type open content-licentie de meest geschikte is gezien de publieke taak van onderwijsinstellingen, het gebruik van de leermiddelen en het feit dat deze onderwijsinstellingen ook steeds vaker zelf op zoek moeten naar geld en met e-Learning een mogelijkheid hebben een derde/vier/vijfde geldstroom aan te boren. De vraag is ook of dit niet een veel bredere discussie moet opleveren. Wat betekent deze publieke taak en welke consequenties moet dit hebben voor de beschikbaarstelling en voor welke scholen of voor alle scholen? Geldt dat ook voor de overheid? Moet de overheid alle open sourcecodes vrijgegeven? En hoe zit het dan met specificaties van de dienstauto van de premier van Nederland? Met andere woorden: waar ligt de grens?
Wat er ook uit deze discussie komt, een niet te verwaarlozen slotstuk vormt de handhaving van het auteursrecht en in dit geval die van de Creative Commons licentie in het bijzonder.

Guibault signaleert eveneens terecht dat een belangrijk praktisch probleem gelegen is in het gebrek aan auteursrechtelijke basiskennis onder docenten die leermiddelen ontwikkelen. In de praktijk valt het echter niet mee. Leermiddelen ontwikkelen kost tijd en dus geld. Het bevat vaak meerdere elementen, zoals tekst, video, afbeeldingen en vaak een koppeling met een ander gelicenseerd systeem. In het juridisch onderwijs is er vaak een link met een databank van een uitgever, zoals Kluwer die alleen gebruikt mag worden door studenten en medewerkers van de onderwijsinstelling. Juridisch hebben deze elementen gemeen dat het allemaal auteursrecht betreft, maar helaas voor docenten spelen ook vaak contractuele verhoudingen en intern beleid een belangrijke rol. Een cursus inleiding auteursrecht draagt zeker bij, maar volstaat dan niet. Als docent heb je meer inzicht nodig.

 Onderwijsinstellingen zullen intern richtlijnen moeten opstellen over hoe men om wil en hoe docenten mogen omgaan met het auteursrecht van de instelling. Vaak zijn deze docenten gewoon in dienst van de onderwijsinstelling. Hoewel men in het academisch onderwijs het auteursrecht op de schrijfsels van het wetenschappelijk personeel nog vindt toebehoren aan de wetenschappers, kan dit bij het hoger beroepsonderwijs wel eens anders uitpakken. De situatie in het wetenschappelijk onderwijs lijkt in die zin meer op een stilzwijgende overeenkomst waarin partijen accepteren dat auteursrecht bij de wetenschappelijk medewerkers ligt dan een uitgemaakte juridische zaak. En ook dat is prima. Het leren moet namelijk op de eerste plaats komen te staan, de techniek en de juridisch context moeten daarbij geen hindernissen gaan vormen. Een eenvoudige uitwisseling van zogenaamde educatieve content tussen de verschillende onderwijsorganisaties kan bijdragen aan beter onderwijs.

Gaat E-learning ook de commerciele trainingen op locaties vervangen?

| 01-07-2010

Een meta-analyse van alle E-learning onderzoeken gehouden tussen 1996 en 2008 wijst uit dat ”on average, students in online learning conditions performed better than those receiving face-to-face instruction.” Uit dit rapport komt onder meer naar voren dat met online leren betere resultaten werden gehaald, onder meer omdat het online aanbieden van lesstof meer aansluit bij de individuele leerbehoefte van de leerling dan mogelijk zou zijn in een klaslokaal. Het online leren werd als leerzaam en prettig ervaren. 
Deze onderzoeken zijn niet alleen gedaan onder kinderen, maar ook onder studenten en in andere onderwijssettingen zoals medische of militaire trainingen.

In een artikel in de New York Times spreekt Philip R. Regier, decaan van de Arizona State University’s Online and Extended Campus Program, de verwachting uit dat de 5000 studenten die daar nu studeren zowel online als in klassen, in de komende drie tot vijf jaar kunnen verdrievoudigen en dat die groei voornamelijk zal komen door een online aanbod.

Veel onderwijsinstellingen gebruiken nu leermanagementsystemen als Blackboard, Teletop of open source varianten als Moodle, Sakai of Dokeos. Op dit moment worden deze systemen vooral ingezet voor het beheer van roosters en aanbieden van documenten. Moodle voegt in haar nieuwe versie al steeds meer social media tools, zoals chat, fora en blogs toe. Sociale netwerken spelen ook een steeds belangrijkere rol bij het leren. Studenten leggen elkaar steeds meer zelf uit, na de basis ergens anders te hebben opgedaan.

De nieuwe generatie zal steeds meer behoefte hebben aan snelle (kennis-) uitwisseling met elkaar. Bij organisaties als IBM, Capgemini en Shell zijn ook experimenten gedaan met dergelijke tools, vanuit de gedachte dat mensen vast wel iemand kennen die kan bijdragen aan het oplossen van een ontstaan probleem, binnen of buiten de (internationale) onderneming (in zg. communities of practice). Bij het doorlezen van de meta-analyse en het eerder genoemde artikel vroeg ik mij af in hoeverre dit in de toekomst ook niet zal gaan gelden voor trainingen. Gaan mensen in de toekomst niet ook, of nog alleen een online trainingaanbod verlangen. Zouden wij over vijf jaar allemaal online trainingen volgen of voegt de technologie alleen iets toe en zoals Mr. Regier zei. “People are correct when they say online education will take things out the classroom. But they are wrong, I think, when they assume it will make learning an independent, personal activity. Learning has to occur in a community.”

Persoonlijk geloof ik vooral in E-learning voor basismateriaal en voor specifieke cursussen. Inleidende cursussen kunnen heel goed in E-learningmodules ter beschikking worden gesteld. De kennis is dan altijd snel toegankelijk en het geeft docenten de mogelijkheid een bepaalde basiskennis te delen.

Veel mensen vinden fysiek onderwijs in kleine groepen nog prettig. Dergelijke bijeenkomsten zijn vaak nog de manier om met nieuwe collega’s te leren kennen of om bij te praten. Het sociale aspect moet niet onderschat worden. Zo hoorde ik ook van een advocatenkantoor, zij waren afgestapt van videoconferencing, omdat klanten minder open waren. Het was immers niet te controleren wie er mee keek of luisterde. De gesprekken op de gang werden vooral gebruikt om zinvolle details toe te voegen.

Voorlopig, maar het kan zeker met generaties veranderen, zorgt klassikaal onderwijs voor een sociale interactie die nog veel gewaardeerd wordt. Een aantal specifieke cursussen kunnen prima worden voorbereid met behulp van E-learning. De combinatie van verschillende vormen van leren (klassikaal met colleges of lezingen, E-learning, probleemoplossend in workshopvorm, etc.), het zg. blended learning, is al vaak succesvol gebleken.

Hoewel in beginsel E-learning altijd zou kunnen worden toegepast is de open interactie en daarmee de wens van de cursisten van groot belang. Het kan een kwestie zijn van tijd. De twittergeneratie zal anders denken over het sociale karakter van E-learning en hier mogelijk geen bezwaren in zien. Aan de andere kant is het maar de vraag hoeveel mensen nu eigenlijk actief gebruik maken van dergelijke social media en hoe deze groep deze E-learning aankijkt.

Hoe lossen omringende landen auteursrechtelijke handhavingsproblemen op?

| 05-03-2010

Het probleem van het handhavingstekort in het auteursrecht wordt door verschillende landen anders benaderd. De EU, Nederland en andere lidstaten denken na over of hebben allemaal een andere wetstechnische oplossing bedacht voor dit probleem.

De Europese Raad van Ministers stelt in haar onlangs gepresenteerde ontwerp-resolutie onder meer dat de onderhandelingen over ACTA gaande zijn en dat de Commissie en lidstaten aangespoord worden om verdragen te sluiten die intellectuele eigendom verder beschermen. De Raad lijkt hiermee in elk geval niet tegen de geheime onderhandelingen over ACTA. Dat verdrag is er nog niet, maar zal een grote rol gaan spelen bij de beleidscontouren van de EU en de deelnemende lidstaten.

De Raad herhaalt in paragraaf 18 het inmiddels bekende idee dat auteursrechtinbreuk op internet het ontstaan van legale alternatieven zou beperken. Hiermee lijkt de Raad vast te houden aan pogingen om de auteursrecht inbreuken eerst te willen beëindigen voordat er legale alternatieven hoeven te komen. Dit terwijl het Nederlandse beleid er juist op gericht lijkt te zijn, gezien de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Gerkens, om pas tot strengere handhaving over te gaan nadat er legale alternatieven ontwikkeld zijn. Dit lijkt ook de meest aangewezen weg. Ook de industrie moet bijdragen aan nieuwe wegen, in plaats van enkel de vraag te stellen of er meer kan worden gehandhaafd.

Inmiddels is er in opdracht van het WODC door het CIER een inventariserend onderzoek verricht naar de regelingen en initiatieven voor de aanpak van illegale filesharing in Duitsland, Frankrijk en Engeland. “In Duitsland is gekozen voor een overwegend strafrechtelijke aanpak van filesharing. Het Franse regime voorziet in de oprichting van een nieuw administratief orgaan dat met een nieuwe sanctiebevoegdheid wordt bekleed. In Engeland stelt de regering een aanpak voor van een combinatie van nieuwe door ISP’s op te leggen sancties enerzijds, en een civielrechtelijke aanpak anderzijds, waarbij de afgifte van data voor civiele procedures wordt vereenvoudigd. In de eerste twee gevallen wordt filesharing aangemerkt als een probleem van een meer maatschappelijke aard, wat zich uit in een sterkere overheidsbetrokkenheid en duidelijke sancties. In het Britse regime ligt de nadruk op het private karakter van filesharing zonder toestemming van de rechthebbenden. Nadruk ligt op het civiele geschil, dat beslecht kan worden met verbodsacties of vorderingen tot schadevergoeding.”

Ook uit dit onderzoek blijkt dat ‘de bekende’ problemen blijven bestaan. Data en databescherming blijft problematisch. Afgifte van data door ISP’s in civiele danwel strafrechtelijke of administratiefrechtelijke procedures behoort hierbij in de verschillende landen wel uitdrukkelijk tot de mogelijkheden. Deze problemen worden nogmaals bevestigd in een onderzoek van Europese Commissie over de bescherming van privacy in verhouding tot de online handhaving van auteursrecht. Daarnaast is het onduidelijk of filesharing juridisch gezien wel altijd illegaal is. Soms is de wettelijke bepaling techniek-afhankelijk waardoor het niet illegaal is en soms is de verspreiding op zichzelf niet illegaal, bijvoorbeeld omdat er op de content zelf geen auteursrecht op rust. Tenslotte, en dat is mogelijk het belangrijkste in dit opzicht: een sanctieregime kan niet op zichzelf staan, alle onderzochte landen benadrukken dit. De industrie zal met exploitatiemodellen moeten komen, zodat internetgebruikers kunnen worden voorzien in hun behoefte aan online beschikbare media.

Het lijkt er op dat de Raad en de lidstaten het eens zijn over de vraag dat er iets moet gebeuren met de handhaving van auteursrecht. Over de manier waarop die handhaving uitgevoerd moet worden, verschillen de meningen nogal. Een strafrechtelijke danwel civiele aanpak kan voor de  rechtsbescherming van de burger een verschil maken. Al zal dat in de praktijk ook afhangen van de vraag hoe men de verschillende handhavingsmechanismen in zal zetten. De discussie zal meer toe moeten naar de basis, de ratio achter de wetgeving: waarom hebben wij die auteursrechtelijke regelingen en welke rol zou de huidige maatschappelijke ‘online’ ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande informatievrijheid en uitwisseling van informatie daarin moeten spelen?

Privacy, risico’s en niveau van compliance

| 22-09-2009

Vele organisaties zijn de afgelopen tijd geconfronteerd met de huidige en toekomstige regelgeving op het gebied van Privacy. Bij privacybeleid gaat het o.a. om risico’s die voortvloeien uit het gebruik van techniek, informatievoorziening, werkprocessen en / of een combinatie van deze drie. Een goed privacybeleid onderkent de relevante risico’s en is in staat deze te ondervangen of te voorkomen.

Een goed privacybeleid is mooi, maar kost ook veel ontwikkeltijd. De eerste vraag is, waar staat mijn organisatie als het gaat om het onderkennen en invoeren van de privacy wet- en regelgeving. Daarna volgt vanzelfsprekend de vraag: welke activiteiten kan ik het beste en in welke volgorde uitvoeren? Om een handreiking te bieden hebben wij hiervoor een overzicht ontwikkeld van vijf fasen.

Hiervoor hebben wij een model ontwikkel d  waarin per fase en per aandachtsgebied aangegeven wordt welke handelingen een organisatie dient uit te voeren in de ontwikkeling van een privacybeleid. Wij hebben vier aandachtsgebieden onderscheiden, te weten:

  • Regelgeving en processen: De organisatie inventariseert aan de hand van  een risicoanalyse wat de gevolgen voor de werkprocessen zijn.
  • Externe relaties: De organisatie inventariseert welke aanpassingen in afspraken (o.a. contracten en SLA’s) met externe partijen gemaakt moeten worden en hoe zij dit gaan aanpakken.
  • Besturing & Beheersing: Aan de hand van de inventarisaties en risicoanalyse wordt gekeken in hoeverre de wijze van belonen en aansturen van de organisatie aangepast moet worden.
  • Cultuur: Medewerkers passen hun gedrag aan en voldoen aan de eisenvan de privacy wet- en regelgeving.

Wilt u weten hoe uw organisatie ervoor staat? Neem dan contact met me op.

Regelt IT. Al > 20 jaar!

Stavorenweg 4
Postbus 514
2800 AM Gouda
T 0182 573 211
E info@mitopics.nl

RSS feed
Sitemap
Disclaimer
Cookies

Uitgelichte topics