Intellectuele eigendomsrechten

Auteursrecht & content in het onderwijs

| 09-07-2010

Docenten worden steeds vaker aangemoedigd om in hun materiaal digitaal ter beschikking te stellen, via e-mail, maar vaak via een eigen portal of electronische leeromgevingen, zoals moodle of blackboard. Op congressen kom ik vaak docenten tegen die opzien tegen het auteursrecht. Ze vragen: “mag ik het wel gebruiken? en “hoe zit het dan met de rechten die erop zitten?”.

Lucie Guibault van het IViR heeft vorig jaar in opdracht van de stuurgroep ‘Stimuleren Gebruik Digitaal Leermateriaal’ onderzoek gedaan naar ‘Auteursrecht en Open leermiddelen‘. Het onderzoek geeft ook voor docenten die graag content ontwikkelen een paar aardige inzichten.

Hieruit blijkt dat de vragen die docenten hebben en de terughoudendheid die zij betrachten ten aanzien van werken van derden niet geheel onterecht is en mogelijk zelfs te verklaren valt. Zij komt nameijk tot de conclusie dat het verspreiden van leermiddelen onder een open content licentie systeem zoals dat van Creative Commons verder juridisch onderzoek vereist. In dit onderzoek behandelt zij tevens belangrijke basisvragen naar eigendom en signaleert zij de knelpunten over de rechtspositie van de auteurs op een gezamenlijk werk. Zij gaat ook in op de vraag over het (elektronisch) hergebruik van bestaand materiaal. Waarbij de rechten en in de praktijk vaak ook contracten die zijn afgesloten voor het gebruik van materialen een belangrijke rol spelen.

Voor het ter beschikking stellen van leermiddelen is het juridisch ook de vraag welke type open content-licentie de meest geschikte is gezien de publieke taak van onderwijsinstellingen, het gebruik van de leermiddelen en het feit dat deze onderwijsinstellingen ook steeds vaker zelf op zoek moeten naar geld en met e-Learning een mogelijkheid hebben een derde/vier/vijfde geldstroom aan te boren. De vraag is ook of dit niet een veel bredere discussie moet opleveren. Wat betekent deze publieke taak en welke consequenties moet dit hebben voor de beschikbaarstelling en voor welke scholen of voor alle scholen? Geldt dat ook voor de overheid? Moet de overheid alle open sourcecodes vrijgegeven? En hoe zit het dan met specificaties van de dienstauto van de premier van Nederland? Met andere woorden: waar ligt de grens?
Wat er ook uit deze discussie komt, een niet te verwaarlozen slotstuk vormt de handhaving van het auteursrecht en in dit geval die van de Creative Commons licentie in het bijzonder.

Guibault signaleert eveneens terecht dat een belangrijk praktisch probleem gelegen is in het gebrek aan auteursrechtelijke basiskennis onder docenten die leermiddelen ontwikkelen. In de praktijk valt het echter niet mee. Leermiddelen ontwikkelen kost tijd en dus geld. Het bevat vaak meerdere elementen, zoals tekst, video, afbeeldingen en vaak een koppeling met een ander gelicenseerd systeem. In het juridisch onderwijs is er vaak een link met een databank van een uitgever, zoals Kluwer die alleen gebruikt mag worden door studenten en medewerkers van de onderwijsinstelling. Juridisch hebben deze elementen gemeen dat het allemaal auteursrecht betreft, maar helaas voor docenten spelen ook vaak contractuele verhoudingen en intern beleid een belangrijke rol. Een cursus inleiding auteursrecht draagt zeker bij, maar volstaat dan niet. Als docent heb je meer inzicht nodig.

 Onderwijsinstellingen zullen intern richtlijnen moeten opstellen over hoe men om wil en hoe docenten mogen omgaan met het auteursrecht van de instelling. Vaak zijn deze docenten gewoon in dienst van de onderwijsinstelling. Hoewel men in het academisch onderwijs het auteursrecht op de schrijfsels van het wetenschappelijk personeel nog vindt toebehoren aan de wetenschappers, kan dit bij het hoger beroepsonderwijs wel eens anders uitpakken. De situatie in het wetenschappelijk onderwijs lijkt in die zin meer op een stilzwijgende overeenkomst waarin partijen accepteren dat auteursrecht bij de wetenschappelijk medewerkers ligt dan een uitgemaakte juridische zaak. En ook dat is prima. Het leren moet namelijk op de eerste plaats komen te staan, de techniek en de juridisch context moeten daarbij geen hindernissen gaan vormen. Een eenvoudige uitwisseling van zogenaamde educatieve content tussen de verschillende onderwijsorganisaties kan bijdragen aan beter onderwijs.

Auteursrecht: to enforce or not to enforce, that’s the question

| 05-03-2010

Waar moet het naar toe met de handhaving van auteursrecht op het internet? Moeten er meer handhavingsmechanismen komen of moeten wij meer gedogen?

De discussie over de handhavingsproblemen wat betreft auteursrecht gaat voort. Waar auteurs en hoogleraren als Lessig (Harvard Law School), zich inzetten voor de beperking van auteursrecht op internet met projecten als Creative Commons, lijkt de Europese Raad van Ministers het vooral te zoeken in vergaande maatregelen om de inbreuken op het auteursrecht harder aan te pakken. De Raad heeft onlangs een ontwerp-resolutie gepresenteerd waarin mogelijk de nieuwe contouren voor het beleid van de komende jaren duidelijk wordt. De Raad blijft vasthouden aan het idee dat inbreuk op auteursrechten bestreden moet worden. Om die reden is het min of meer vanzelfsprekend dat er niet meer aandacht is voor het ‘vrije’ internet. En weer iets minder vanzelfsprekend dat de rechten van die internetgebruiker nauwelijks aan bod komen. Het is echter de vraag hoe men uit deze impasse kan komen. De Raad heeft eigenlijk maar twee keuzes: handhaven of niet. De keuze voor gedogen ligt niet bij de Raad, maar bij de rechthebbenden. Niettemin kan zij met bepaalde voornemens of wetgeving wel enige richting geven. Er zijn weinig aanwijzingen dat ‘de EU’ niet voor bescherming kiest. Ook bij de verlenging van de beschermingsduur van naburige rechten had de commissie, op basis van verschillende wetenschappelijke onderzoeken, een gelegitimeerde reden gehad om voor een minder lange bescherming te kiezen en daarmee de bescherming(sduur) te beperken. Dat deed zij niet.

Een keuze voor ‘niet handhaven’ ligt juridisch erg lastig. Wij hebben ons met bijna heel de wereld verbonden aan de Berner Conventie en talloze andere verdragen die ons verplichten een dergelijke bescherming te bieden en om die reden ook tot handhaving over te gaan. Aansturen op gedogen lijkt dan de enige andere oplossing. Er is overigens wel een meer principele reden te bedenken om mee te gaan met de ‘vrijheid’ van Lessig. Wanneer wij uitgaan van het principe van de auteurswet, kortweg een balans tussen toegang tot werken (informatie) en de rechten van de maker van die werken, dan kan men zich afvragen of deze balans in de huidige maatschappelijke verhoudingen nog wel de goede is. Als er inderdaad (meer) behoefte is aan het delen van werken op internet en de wet een afspiegeling is van de ‘wil van het volk’ dan zou dat een motief kunnen zijn om opnieuw naar de wet te kijken. Wat overigens niet per se hoeft te betekenen dat de wet gewijzigd dient te worden. Mogelijk moet de wetgever opnieuw nadenken over de doelstelling van de wet. Over de wenselijkheid van bescherming waren de meningen immers bij het invoeren van de auteurswet in 1912 al verdeeld. Men zou zelfs kunnen stellen dat ook toen de aangegane verplichtingen door middel van verdragen al van doorslaggevend belang zijn geweest. Het idee dat zonder auteursrecht de wereld er anders uit zou zien is bij voorbaat natuurlijk waar, maar de vraag is of die er slechter uit zou zien en voor wie dan.

De vraag blijft, waar wij als samenleving beter mee gediend zijn. Mogelijk berust het idee achter de auteurswet op dezelfde mythe als die van de bonussen van grote bankiers. Ook daar was het idee dat als zij die bonus (bescherming) niet zouden krijgen, de grote jongens weg zouden gaan. In het auteursrecht lijkt dezelfde gedachte te bestaan: als er geen bescherming is, dan worden er geen of in elk geval veel minder werken gemaakt. Deze uitgangspunten verdienen nader onderzoek. Daar zou niet alleen onderzoek naar moeten worden gedaan, maar ‘de EU’ zou daar ook naar moeten luisteren. Indien er besloten wordt om toch streng te gaan handhaven, dan is het van belang dat wij enige proportionaliteit behouden bij de handhaving en dat roept de vraag op waar de handhaving zich op moet richten: de individuele burger of de websites die geld verdienen aan de illegale verspreiding. Want ook deze websites faciliteren de verspreiding vaak niet vanwege het fundamentele recht op informatievrijheid, maar eerder, net als industrie, vanwege zakelijke motieven. De samenleving verandert en dat op zichzelf is een reden om de huidige auteurswet eens tegen het licht te houden.

Hoe lossen omringende landen auteursrechtelijke handhavingsproblemen op?

| 05-03-2010

Het probleem van het handhavingstekort in het auteursrecht wordt door verschillende landen anders benaderd. De EU, Nederland en andere lidstaten denken na over of hebben allemaal een andere wetstechnische oplossing bedacht voor dit probleem.

De Europese Raad van Ministers stelt in haar onlangs gepresenteerde ontwerp-resolutie onder meer dat de onderhandelingen over ACTA gaande zijn en dat de Commissie en lidstaten aangespoord worden om verdragen te sluiten die intellectuele eigendom verder beschermen. De Raad lijkt hiermee in elk geval niet tegen de geheime onderhandelingen over ACTA. Dat verdrag is er nog niet, maar zal een grote rol gaan spelen bij de beleidscontouren van de EU en de deelnemende lidstaten.

De Raad herhaalt in paragraaf 18 het inmiddels bekende idee dat auteursrechtinbreuk op internet het ontstaan van legale alternatieven zou beperken. Hiermee lijkt de Raad vast te houden aan pogingen om de auteursrecht inbreuken eerst te willen beëindigen voordat er legale alternatieven hoeven te komen. Dit terwijl het Nederlandse beleid er juist op gericht lijkt te zijn, gezien de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Gerkens, om pas tot strengere handhaving over te gaan nadat er legale alternatieven ontwikkeld zijn. Dit lijkt ook de meest aangewezen weg. Ook de industrie moet bijdragen aan nieuwe wegen, in plaats van enkel de vraag te stellen of er meer kan worden gehandhaafd.

Inmiddels is er in opdracht van het WODC door het CIER een inventariserend onderzoek verricht naar de regelingen en initiatieven voor de aanpak van illegale filesharing in Duitsland, Frankrijk en Engeland. “In Duitsland is gekozen voor een overwegend strafrechtelijke aanpak van filesharing. Het Franse regime voorziet in de oprichting van een nieuw administratief orgaan dat met een nieuwe sanctiebevoegdheid wordt bekleed. In Engeland stelt de regering een aanpak voor van een combinatie van nieuwe door ISP’s op te leggen sancties enerzijds, en een civielrechtelijke aanpak anderzijds, waarbij de afgifte van data voor civiele procedures wordt vereenvoudigd. In de eerste twee gevallen wordt filesharing aangemerkt als een probleem van een meer maatschappelijke aard, wat zich uit in een sterkere overheidsbetrokkenheid en duidelijke sancties. In het Britse regime ligt de nadruk op het private karakter van filesharing zonder toestemming van de rechthebbenden. Nadruk ligt op het civiele geschil, dat beslecht kan worden met verbodsacties of vorderingen tot schadevergoeding.”

Ook uit dit onderzoek blijkt dat ‘de bekende’ problemen blijven bestaan. Data en databescherming blijft problematisch. Afgifte van data door ISP’s in civiele danwel strafrechtelijke of administratiefrechtelijke procedures behoort hierbij in de verschillende landen wel uitdrukkelijk tot de mogelijkheden. Deze problemen worden nogmaals bevestigd in een onderzoek van Europese Commissie over de bescherming van privacy in verhouding tot de online handhaving van auteursrecht. Daarnaast is het onduidelijk of filesharing juridisch gezien wel altijd illegaal is. Soms is de wettelijke bepaling techniek-afhankelijk waardoor het niet illegaal is en soms is de verspreiding op zichzelf niet illegaal, bijvoorbeeld omdat er op de content zelf geen auteursrecht op rust. Tenslotte, en dat is mogelijk het belangrijkste in dit opzicht: een sanctieregime kan niet op zichzelf staan, alle onderzochte landen benadrukken dit. De industrie zal met exploitatiemodellen moeten komen, zodat internetgebruikers kunnen worden voorzien in hun behoefte aan online beschikbare media.

Het lijkt er op dat de Raad en de lidstaten het eens zijn over de vraag dat er iets moet gebeuren met de handhaving van auteursrecht. Over de manier waarop die handhaving uitgevoerd moet worden, verschillen de meningen nogal. Een strafrechtelijke danwel civiele aanpak kan voor de  rechtsbescherming van de burger een verschil maken. Al zal dat in de praktijk ook afhangen van de vraag hoe men de verschillende handhavingsmechanismen in zal zetten. De discussie zal meer toe moeten naar de basis, de ratio achter de wetgeving: waarom hebben wij die auteursrechtelijke regelingen en welke rol zou de huidige maatschappelijke ‘online’ ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande informatievrijheid en uitwisseling van informatie daarin moeten spelen?

Auteursrecht: computerprogrammatuur en functionele eisen

| 05-03-2009

Recent wees de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zutphen (20 februari 2009) in de zaak Dejoha B.V. tegen GFR en Digicontrol een vonnis over de auteursrechtelijke bescherming van programmatuur.  

Het betrof een interessante zaak waarin het ging om het auteursrecht op bewerkte broncodebestanden en waarbij, niet onbelangrijk, sprake was van een faillissement na eerdere samenwerking. Veel ondernemingen werken samen om tot betere producten te komen. Met name de vraag: van wie zijn de producten tijdens en vooral na onze samenwerking blijken in de praktijk voor lastige vragen te zorgen. Het te beschermen object, het door het auteursrecht beschermde ‘werk’ (artikel 10 lid 1 onder 12 Auteurswet) is soms lastig vast te stellen en temeer relevant wanneer een samenwerkingspartner failliet gaat.

Het computerprogramma CAE2000 diende ervoor om regelaars voor klimaatbeheersingssystemen voor gebouwen (hardware) te laten samenwerken met in software vervatte regelstrategieën (de zogenaamde Costerm-strategieën). De Costerm-groep had ten behoeve van haar samenwerking met GFR het programma tot standgebracht. GFR stelde de uit 255 modules bestaande broncode op de bij haar regelaars behorende software ter beschikking aan Wans Beheer. Het programma CAE 2000 bevat modules met bij de hardware van GFR behorende broncode van GFR, modules met door Wans Beheer BV bewerkte broncode en ten slotte door een werknemer van Wans Beheer BV toevoegde modules. Wans Beheer BV heeft van de 255 modules er 71 verwijderd en vervolgens 71 modules toegevoegd. In december 2002 is het grootste deel van CAE 2000 tot stand gebracht maar wordt tevens het faillissement van Wans Beheer uitgesproken. Digicontrol maakt reeds gebruik van CAE 2000. Dejoha koopt de programmatuur van de curator en eist staking door Digicontrol. 

‘Wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in art. 1 jo. art. 10 Auteurswet, dan is vereist dat

  • het (a) een eigen, oorspronkelijk karakter heeft
  • en (b) het persoonlijk stempel van de maker draagt.

De onder (a) bedoelde eis houdt, kort gezegd, in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk. De onder (b) bedoelde eis betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest.’ (ov 4.1.).

De voorzieningenrecht loopt deze eisen vervolgens na en acht het voldoende aannemelijk geworden dat de nieuwe programmatuur door de bewerkingen een eigen, oorspronkelijk karakter heeft verkregen en dat het werk het persoonlijk stempel van de maker draagt. Met andere woorden hij heeft een keuze gehad en daar gebruikt van gemaakt.

Advocaat Evert van Gelderen heeft op zijn blog commentaar op dit vonnis. Dat commentaar spitst zich toe op de vraag of de genoemde omstandigheden voldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Daarbij wordt aangevoerd dat ‘Digicontrol een zeer relevant verweer heeft gevoerd, namelijk dat volgens haar slechts uit twee bestaande systemen formules zijn gecombineerd, zodat er geen sprake is van scheppende menselijke arbeid en creatieve keuzes.’

In het auteursrecht wordt techniek uitgesloten wanneer deze volledig zijn bepaald door functionele eisen. Er wordt in het commentaar dan ook gesteld dat ‘Het feit dát de programmeur de modules heeft bewerkt en nieuwe heeft toegevoegd waardoor hardware met andere software kon functioneren, is naar mijn mening niet voldoende om te concluderen dat er is voldaan aan de eisen voor een auteursrechtelijk beschermd werk. Met name het vereiste van persoonlijk stempel van de maker (er moet sprake zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes) hoeft niet voldaan te zijn enkel omdat de programmatuur nu kan functioneren met de hardware.’

‘De programmatuur die dat mogelijk heeft gemaakt kan namelijk volledig zijn bepaald door functionele eisen (namelijk dat de programmatuur met elkaar moet kunnen werken) en niet zozeer door creatieve keuzes.’

‘Kortom, naar mijn mening had de voorzieningenrechter moeten beoordelen of er creatieve keuzes zijn gemaakt om de software met de hardware te kunnen laten werken (waren er andere keuzes mogelijk? Is de programmatuur op creatieve wijze geoptimaliseerd? Etc.) en had niet mogen volstaan met de vaststelling dat er sprake is van creatieve keuzes omdat de programmatuur nu kan samenwerken met de hardware. ‘

Ik denk dat de rechtbank daar wel een keuze in heeft gemaakt. Vooropgesteld dient te worden dat het auteursrecht inderdaad niet bedoeld is om techniek te beschermen. Daar is het octrooirecht voor. Het gaat dan om de vraag of bepaalde trekken van een werk hoofdzakelijk technisch bepaald zijn of door de maker zelf kunnen worden ingevuld zonder dat de functie daarbij een wezenlijk punt van overweging is. Juist bij software speelt de vraag in hoeverre het nog een werk is waar technische aspecten niet de overhand krijgen. De Europese, en daarmee ook de Nederlandse wetgever heeft er op basis van de Softwarerichtlijn voor gekozen om computerprogrammatuur een plaats te geven in het auteursrecht en daarmee is praktisch de zaak beslecht. Ook bij softeware staan de keuzes van de programmeur centraal. De voorzieningenrechter heeft naar mijn mening wél beoordeeld dat er creatieve keuzes zijn gemaakt. De rechtbank concludeert dat ‘vast staat dat broncode-bestanden van GFR dienden te worden bewerkt, wilde men in Nederland gebruik kunnen maken van de hardware (de regelaars) van GFR. Schoondermark (de ontwikkelaar) heeft modules van de broncode-bestanden bewerkt en nieuwe modules toegevoegd. Zónder voormelde bewerkingen en toevoegingen kon de hardware van GFR niet met de Nederlandse Costerm-strategieën werken.’ Deze laatste zin moet niet worden gelezen als een ‘omdat de programmatuur nu kan functioneren met de hardware’ maar als een toevoeging. Dat Schoondermark de modules heeft verwerkt en nieuwe modules heeft toegevoegd, daar hecht de rechtbank kennelijk het oordeel dat het creatief was en hij dus keuzes heeft gemaakt en kennelijk niet hoofdzakelijk technisch zijn bepaald. Ook binnen technische oplossingen danwel eisen zijn nog keuzes mogelijk en daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat die zijn gemaakt. Derhalve is er sprake van een werk en van auteursrechtelijke bescherming.

In de praktijk komt het steeds minder vaak voor dat de techniek een programmeur dusdanige beperkingen oplegt dat hij of zij geen eigen keuzes meer kan maken. Ook het omzetten van functionele eisen naar techniek kan op dusdanig verschillende wijzen plaatsvinden dat er gesproken kan worden van keuzes waaruit een persoonlijk stempel van de maker blijkt.

Regelt IT. Al > 20 jaar!

Stavorenweg 4
Postbus 514
2800 AM Gouda
T 0182 573 211
E info@mitopics.nl

RSS feed
Sitemap
Disclaimer
Cookies

Uitgelichte topics