Onlangs heeft NOIV haar Monitor (offline, zie Google cache ) gepubliceerd waarin de vorderingen staan van publieke instellingen met het implementeren van de “factoren, die de toepassing van open standaarden en open source software beïnvloeden.”
“De ranking is een benchmark, die in kaart brengt hoe ver elke organisatie gevorderd is met de realisatie van het actieplan NOiV. ” Bij de specifieke factoren kunnen we nog één en ander afdingen op de effectiviteit en de weging in het geheel. Zo is bij de factor “het vaststellen van een implementatiestrategie voor open source software” open gelaten aan welke eisen een dergelijke strategie aan moet voldoen. Deze factor weegt voor 20 van de 100 punten mee, terwijl één van belangrijkste factoren “een open documentstandaard (zoals ODF) de default standaard maken” (die eigenlijk geen factor is maar één van de doelstellingen van het actieplan) maar voor 2 van de 100 punten mee telt. Hierdoor is het in principe mogelijk dat in deze ranking organisatie A en organisatie B dicht bij elkaar liggen qua score, maar er wezenlijk verschil kan bestaan in het toepassen van het actieplan en in het behalen van de doelstellingen die daarin staan opgesomd.
Op zich is deze ranking een goed iniatief, maar het meet natuurlijk niet de actiebereidheid van een instelling (of die van een IT-manager zoals scherp is opgemerkt door Wytze Koopal bij het voorbeeld van de Universiteit Twente ). Goed beleid zal hopelijk leiden tot de gewenste resultaten m.b.t. open standaarden en open source software adoptie.
Interessanter om te onderzoeken is natuurlijk in hoeverre de doelstellingen van het actieplan worden behaald. Namelijk de invoering van OSS en open standaarden. Dit is ook gedaan in de eerste Monitor van het NOIV, maar deze resultaten vind je pas terug in een uitgebreid rapport. Op bladzijde 38 zien we de toepassing van ‘gangbare’ open standaarden terug. Wat hier mist is de toepassing van open standaarden voor het opslaan van gegevens in desktop applicaties, zoals het NOIV ze noemt. Juist in dit soort gevallen kan een grote leveranciersafhankelijkheid worden gecreëerd.
Twee bladzijden verder in hetzelfde rapport treffen we de adoptiegraad van OSS in het publieke wezen. De indeling in vier verschillende soorten software laat zien dat met name in het ‘desktop’ toepassingsgebied de adoptiegraad niet hoog is. In de andere drie toepassingsgebieden (infrastructuur, beheer, web/internet) zien we grotere cijfers. Op zich logisch, gezien de al jarenlange dominatie van OSS in infrastructurele applicaties zoals webservers, mailservers e.d. Deze cijfers vragen om een meer verfijnde uitsplitsing van deze toepassingsgebieden om te achterhalen in welke soort applicaties de toepassing van OSS achterblijft. ‘Desktop’ toepassingsgebied dekt een te groot en divers gebied aan software.
Gezien de doelstelling van NOIV dat overheden in 2015 alleen nog gebruik maken van open document standaarden (zie hier , blz. 15) is het monitoren van in hoeverre de doelstellingen uit het actieplan worden behaald zinvol. Dit wordt wel gedaan, maar de cijfers geven nog onvoldoende inzicht in de mate van toepassing van open standaarden en OSS in verschillende toepassingsgebieden. Bij het monitoren en ranken van in hoeverre publieke instanties voor de invoering van open standaarden en open source software aanpakken hebben geformuleerd of strategieën hebben ontwikkeld, zou m.i. de nadruk meer mogen liggen op het behalen van de doelstellingen van het actieplan, namelijk de toepassing van open standaarden en de adoptie van OSS.







